Matigheid

Matigheid (Latijn: temperantia) is een filosofisch begrip dat terughoudendheid en zelfbeheersing in menselijk handelen, bijvoorbeeld bij eten en drinken, voorstaat. Matigheid is een van de zeven deugden en daarbinnen een van de vier kardinale deugden binnen de ethiek.
Begrip
[bewerken | brontekst bewerken]Matigheid is een vorm van terughoudendheid op diverse vlakken. Vaak wordt daarbij alleerst gedacht aan zelfbeperking bij eten en drinken, maar even belangrijk is terughoudendheid in temperament door gelijkmatig en kalm te blijven, terughoudendheid van arrogantie door bescheiden te zijn, terughoudend zijn op het gebied van materiële en luxe aankopen en door geen wraakgevoelens te koesteren maar vergevingsgezind te zijn. Ook terughoudendheid in sexualiteit door kuisheid te beoefenen valt encyclopedisch onder dit begrip.
In de filosofie zijn de begrippen matigheid en zelfbeheersing onder meer te vinden bij Aristoteles (bijv. in de Ethica Nicomachea), bij Marcus Aurelius (in zijn Overpeinzingen), in het werk van Thomas van Aquino (bijv. diens Summa theologiae), bij Michel de Montaigne, Francis Bacon (in The Advancement of Learning), Blaise Pascal (in zijn Pensées), Immanuel Kant (in Die Metaphysik der Sitten) en bij Charles Darwin in zijn boek De afstamming van de mens.
Ook in veel godsdiensten wordt matigheid als een belangrijke deugd gezien. Het hindoeïsme kent in de Upanishad het begrip dama (terughoudendheid). In het christendom komt hetzelfde begrip (daar als enkrateia) ook voor, bijvoorbeeld in de Brief van Paulus aan de Galaten. Het boeddhisme heeft in het derde en vijfde voorschrift van de Vijf Voorschriften ook duidelijke aansporingen tot gematigdheid.