Stripverhaal
| Geschiedenis van het stripverhaal | |
| Spotprent | (vanaf 1843) |
| Krantenstrip uit de VS | (1894 – 1930) |
| Tijuana bible | (1920 – 1960) |
| Golden Age | (1930 – 1956) |
| Europese striptijdschriften | (1952 – 1980) |
| Silver Age | (1956 – 1973) |
| Bronze Age | (1965 – 1985) |
| Pop Art | (1956 – 1970) |
| Underground comics | (1967 – 1980) |
| Europese erotische strip | (1968 – nu) |
| Walgfun | (1972 – nu) |
| Psychedelische SF | (1975 – 1985) |
| Geïmproviseerde strip | (1976 – nu) |
| Literaire striproman | (1975 – nu) |
| Small press | (1990 – nu) |
| Autobiografische strip | (1900 – nu) |
| Portaal | |
Het stripverhaal (ook beeldverhaal of strip genoemd) is een vertelvorm waarbij een verhaal verbeeld wordt door middel van afbeeldingen, die achtereenvolgende scènes in het verhaal verbeelden, ondersteund door tekst in (tekstballon) of onder de afbeelding. Een stripverhaal wordt gemaakt door een striptekenaar en een scenarioschrijver. Soms schrijft de tekenaar tevens het scenario, soms werken er meerdere personen aan het tekenwerk (schetsen, inkten, coloring, letteren) of aan het verhaal. Amerikaanse stripverhalen worden ook wel comics genoemd. Een bekende Japanse variant van het stripverhaal is de manga. Sinds de opkomst van sites zoals Webtoons zijn webstrips ook steeds toegankelijker en populairder geworden.
Geschiedenis
[bewerken | brontekst bewerken]
Voorgeschiedenis en vroege geschiedenis
[bewerken | brontekst bewerken]Het stripverhaal heeft zijn oorsprong waarschijnlijk in het pictografisch schrift (beeldschrift).[bron?] Een vroege vorm van het stripverhaal is het Tapijt van Bayeux.[bron?] Op dit doek werden twee jaar na de slag bij Hastings de gebeurtenissen van deze slag uitgebeeld. Meso-Amerikaanse codices gaven mythologische verhalen weer door middel van een ingewikkeld systeem van afbeeldingen en logogrammen, wat dus min of meer hetzelfde systeem was als in hedendaagse stripverhalen. Ook de prehistorische afbeeldingen die in grotten zijn gevonden (zie Grotten van Lascaux) kunnen als een vroege vorm van het stripverhaal worden beschouwd, hoewel hun ontstaan misschien mede is te danken aan het ontbreken van geschreven taal. De eerste vorm van het Egyptische hiërogliefenschrift was in feite ook een vorm van een getekend beeldverhaal.
Als de combinatie van tekst en beeld als een essentieel kenmerk beschouwd wordt, dan zijn de oudste stripverhalen te vinden in de klassieke oudheid, met name op Griekse friezen en op de zuil van Trajanus uit het jaar 113. Dit waren geen gedrukte boeken, waardoor de toeschouwer naar het verhaal toe moest komen om het te lezen.[1]
Beeldverhalen werden ook gebruikt binnen het christendom om het woord van God kenbaar te maken aan de ongeletterden; dit waren de zogenoemde biblia pauperum ('armenbijbels').[1] Een bekend Nederlands voorbeeld is De Kleine Printbijbel uit 1772.
In Europa ontstond in de 15e eeuw een reeks volksprinten (ook wel bekend als centsprinten), waarin een afbeelding werd begeleid met onderliggende, vaak rijmende tekst. Nadat het rijmen steeds minder populair werd, begon deze vorm van strip kenmerken te worden voor kinderverhalen. De tekst werd in deze verhalen vaak gebruikt om te beschrijven wat er in de afbeelding gebeurde en zorgde zo voor een verdeling tussen tekst en beeld. Men moest van tevoren besluiten of ze eerst de tekst wilden lezen of de afbeelding wilden bekijken. Deze vorm van strip wordt ook wel de tekststrip genoemd. De tekststrip wordt over het algemeen gezien als beter dan het lezen van ballonstrips omdat het geen leesluiheid zou veroorzaken.[2] De tekststrip wordt gezien als de voorganger van het prentenboek.
Als oudste stripverhaal met tekstballonnen, ook wel ballonstrips genoemd, van Nederland geldt de zogenoemde Maan- en Klaagbrief uit 1493, waarin ridder Bernhard van Meurs in vier beelden vertelt hoe hertog Karel van Gelre zijn afspraak niet nakomt om hem uit gevangenschap vrij te kopen. Het document bevindt zich in het Regionaal Archief te Zutphen.[3] Pas vanaf 1920 kan de ballonstrip daadwerkelijk als veelvoorkomend beschreven worden. De Franse tekenaar Alain St. Ogan tekende deze stripverhalen. Deze heropkomst van de ballonstrip komt waarschijnlijk door invloeden uit de Verenigde Staten, waar de ballonstrip meer gebruikt werd. Veel van de geïmmigreerde Amerikaanse stripverhalen (zoals Mikkie Muis) werden in eerste instantie vertaald naar de vorm van de tekststrip. De spraakballonnen werden verwijderd en hun tekst onder of naast de afbeelding geplaatst.[2]
In het begin van de 19de eeuw vertelde de Zwitser Rodolphe Töpffer beeldverhalen met uitgebreide tekst onder de afbeeldingen. Zijn littérature en estampes, vaak in albums van meer dan 100 bladzijden, was vooral vernieuwend door haar onderhoudend karakter, in tegenstelling tot de vroegere moraliserende beeldverhalen.[1] Hij publiceerde in 1845 het eerste moderne stripverhaal dat ook in Nederland talrijke drukken beleefde als De Reizen en Avonturen van Mijnheer Prikkebeen. Ook de verhalen van de Duitser Wilhelm Busch zijn een voorbeeld geweest voor de eerste Amerikaanse strips. Het werk van Busch was in 1865 al in dertig talen vertaald. Begin 20e eeuw begon Émile Cohl met het getekende bewegende beeldverhaal, ook wel de animatie genoemd.
Krantenstrips in de Verenigde Staten
[bewerken | brontekst bewerken]
Het moderne stripverhaal ontstond in het midden van de 19e eeuw ter verfraaiing van de kranten die toen een sterke opkomst doormaakten. The Yellow Kid uit 1894 wordt meestal als eerste krantenstrip aangewezen. De kunstvorm van de ballonstrip, als combinatie van tekening en tekst, ontstond geleidelijk. The Katzenjammer Kids (New York Journal 1897) van Rudolph Dirks is rechtstreeks geïnspireerd op het Duitse geïllustreerde verhaal Max und Moritz, een verre voorloper van het stripverhaal.
In het begin van de 20e eeuw verschenen in de Amerikaanse kranten zondagbijlagen waarin een aantal verschillende typen strips en verhalen werden gecombineerd. Ook deze waren voornamelijk bedoeld om de omzet te verhogen. Little Nemo in Slumberland van Winsor McCay is hier een voorbeeld van.
Strips uit de jaren 30
[bewerken | brontekst bewerken]Aan het eind van de jaren dertig ontstonden in Amerika de eerste moderne stripverhalen. Richard Felton Outcault geldt als geestelijke vader van de moderne comic strip met de series The Yellow Kid en Buster Brown, die origineel in kranten verzameld werden. Deze werden later verzameld in goedkope boekjes met daarin fantastische verhalen of avonturen van terugkerende hoofdpersonages. Dit waren vooral ballonstrips. In de Tweede Wereldoorlog werd dit medium (vaak ook 'de comic' genoemd) door de Amerikaanse regering gebruikt om bepaalde informatie of goede wenken aan de soldaten in het veld over te brengen.
Klassieke avonturenstrip in België en Nederland
[bewerken | brontekst bewerken]In Nederland ontstond al in het begin van de 15e eeuw de tekststrip. Deze stijl zette zich tot in de 20e eeuw door en evalueerde onder andere tot het prentenboek. Een voorbeeld hiervan is De zeer zeldzame lotgevallen van Janus Karmijn van J. (Koos) van der Horst Jr.[4] uit de Nieuwe Delftsche Courant (eind juli-begin december 1927). In deze strip komen Sacco en Vanzetti als Sakki en Versetto voor.
Denk ook aan striptekenaars als Henk Backer met Tripje en Liezebertha en Gerrit Rotman met Mijnheer Pimpelmans. Andere wat latere voorbeelden zijn Tom Poes en Panda door Marten Toonder en de Toonder Studio's, Kapitein Rob door Pieter Kuhn, Dick Bos door Alfred Mazure en Eric de Noorman door Hans G. Kresse. Het oudste bekende stripboek was een kleine uitvouwstrip, die was bedoeld als reclame van een bekende koffiefabrikant.
In België liep er een gelijkaardige ontwikkeling. In 1929 maakte Hergés internationaal succesrijke stripreeks Tintin (Kuifje) zijn debuut. Hergé introduceerde ook een tekenstijl, de klare lijn, die in België veelvuldig geïmiteerd werd door andere striptekenaars. In 1938 volgde Spirou (Robbedoes en Kwabbernoot), rond welk het oudste stripblad van het land gemaakt werd: Spirou (Robbedoes). Na de Tweede Wereldoorlog ontstonden er in Vlaanderen bekende krantenstrips zoals Suske en Wiske, Nero en Jommeke. In Wallonië werd het weekblad Kuifje opgericht, waar talloze bekende en internationaal verspreide stripreeksen gepubliceerd zouden worden, zoals Blake en Mortimer, Alex (strip) en Thorgal. In het weekblad Robbedoes ontstonden dan weer legendarische stripreeksen zoals Buck Danny, Lucky Luke, De Smurfen, Guust, De Blauwbloezen en Natasja.
Golden age comics
[bewerken | brontekst bewerken]Na de Eerste Wereldoorlog ontstond de Amerikaanse superheldencultuur aan de hand van stripverhalen. met veel aandacht voor de verhalen van Superman (voor het eerst in Action Comics #1), Batman (debuteerde in Detective Comics #27) en de beide ook al tijdens de Tweede Wereldoorlog bestaande Captain America en Namor the Sub-Mariner bestond het publiek vooral uit kinderen. Aangezien de vrouw in die tijd een ondergeschikte rol speelde, kwamen zij voornamelijk als reddingsonderwerp in beeld. Een bekende uitzondering hierop was Wonder Woman. Jaren later volgden de vrouwelijke superhelden pas in groteren getale, denk daarbij aan personages zoals Vampirella, Jean Grey (van de X-Men) en She-Hulk. Er ontstonden in de jaren negentig zelfs termen voor bepaalde comics met vrouwelijke hoofdpersonen: "Bad Girl" (Bad Grrrl) comics en "Good Girl" art.
Hoewel de superhelden na verloop van tijd met kosmische dreigingen en superschurken te maken krijgen, waren ze oorspronkelijk wrekers in dienst van sociale rechtvaardigheid, in lijn met de verwachtingen van het Amerikaanse publiek tijdens de crisisjaren 1930 en de daaropvolgende New Deal. In zijn eerste verhalen bedreigt Superman de gouverneur van een staat om een vrouw van de doodstraf te redden; slaat een man in elkaar die zijn vrouw heeft mishandeld; en vernielt een wagen vol boefjes die de journaliste Lois Lane hadden lastiggevallen.[5]
Lilliput-strips
[bewerken | brontekst bewerken]Vanuit Duitsland werden enkele duizenden zogenaamde Lilliput-stripboekjes vertaald en uitgegeven. Dit waren boekjes van zestien pagina's op strookjesformaat. Voorbeelden zijn Tarzan, Akim en Tibor.
Silver age comics
[bewerken | brontekst bewerken]Na de dalende populariteit van de superheldenstrip begon DC comics in de jaren 1950 weer met het uitbrengen van strips over hun beroemdste helden. Vaak hadden deze personages een nieuwe, modernere, science-fiction-gebaseerde oorsprong om de verhalen bij een nieuw publiek te doen aanslaan. Ook werden er nieuwe superhelden bijbedacht, meer gebaseerd op die tijd. Dit was het begin van de Silver Age of Comics.
Marvel Comics reageerde begin jaren 60 op dit succes door zelf ook superheldenstrips te maken. De Fantastic Four, Spider-Man en The Incredible Hulk zijn bekende voorbeelden van Silver Age Marvel stripfiguren.
Vermenselijking van de superheld
[bewerken | brontekst bewerken]Marvel vernieuwde het genre van de superheldenstrip door hun personages kleine gebreken te geven om ze menselijker te maken. Stan Lee was een bedenker van veel van deze helden. Door de superheldenstrip te combineren met drama werden de personages als echter beschouwd. Voorbeelden van personages waaraan Stan Lee (stripauteur) had gewerkt waren de X-men - mutanten die, hoewel ze de mensen beschermden, door iedereen werden gehaat - en de domme, agressieve Hulk.
Europese strips en striptijdschriften
[bewerken | brontekst bewerken]Na de Tweede Wereldoorlog ontstond in Frankrijk, België en Nederland een uitgebreide cultuur van stripweek- en maandbladen met als uitvloeisel daarvan stripboeken die bestaande stripreeksen verzamelde en bonden. Enkele voorbeelden van tijdschriften zijn Kuifje, Donald Duck, Robbedoes, Charlie, Pilote, Bravo!, Pep en Eppo. Het succes van deze tijdschriften wist reeksen als Robbedoes en Kwabbernoot, Suske en Wiske, Lucky Luke, Ravian en Asterix te lanceren bij het grote publiek.
Gags
[bewerken | brontekst bewerken]In een gagstrip beperken de verhalen zich slechts tot een aantal prentjes of pagina's tot de clou wordt duidelijk gemaakt. In veel gagalbums neemt de gag één pagina in. Voorbeelden van gagstrips zijn Peanuts, Garfield (strip) en Guust. In dit soort strips staat de "gag" of grap voorop en is de plot van ondergeschikt belang. Strips waarbij in een heel album een verhaal wordt verteld kunnen echter ook gebruikmaken van gags, zij het in de context van de plot. Een speciaal soort gag is de running gag, waarbij een specifieke grap in elke aflevering of album terugkeert. De herhaling draagt bij tot de populariteit van dit soort grappen.
Popart
[bewerken | brontekst bewerken]Vanuit de kunstwereld werd een positieve impuls gegeven door de opkomst van de popart. Met name Roy Lichtenstein waardeerde de grafische afbeeldingen uit de pulp-strips van de jaren 50 en vergrootte deze met acrylverf uit op immense doeken. Door zijn succes wonnen vanaf dat moment strips ook aan waardering om hun grafische kwaliteit, die zich totaal onafhankelijk van de moderne kunst ontwikkeld had en daardoor zo verschillend was van de schilderkunst uit de overeenkomstige periodes.
Underground comics
[bewerken | brontekst bewerken]In 1952 werd het satirische tijdschrift MAD opgericht. Begin jaren 70 verschenen in Amerika voor het eerst de undergroundstrips. Deze waren een uiting overeenkomstig met het gedachtegoed van de hippiecultuur. De verhalen werden vooral gemaakt om taboes te doorbreken en stonden bol van de scènes over vrije seks en drugsgebruik. De tekenstijl was vaak ook psychedelisch van aard. De bekendste tekenaar van deze stroming is Robert Crumb. Van zijn stripheld Fritz the Cat zijn ook twee tekenfilms verschenen. Andere bekende tekenaars zijn Robert Williams, Victor Moscoso, S. Clay Wilson,