afdak
Uiterlijk
- Geluid:  afdak    (hulp, bestand)
- IPA: /âŻËÉvdÉkâŻ/ (2 lettergrepen)
- (Noord-Nederland): /ËÉf.dÉk/
- (Vlaanderen, Brabant): /ËÉf.dÉk/
- (Limburg): /ËÉv.dÉk/
- af·dak
- van het Duits abdach [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | afdak | afdaken |
| verkleinwoord | afdakje | afdakjes |
hetâafdakâo
- (bouwkunde) een schuin van een gebouw uitstekend stuk dak dat beschutting verleent aan de buitenmuur
- Het gaat regenen; laten we even onder het afdakje gaan staan.Â
- Het woord afdak staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "afdak" herkend door:
| 99Â % | van de Nederlanders; |
| 99Â % | van de Vlamingen.[2] |
- â afdak op website: Etymologiebank.nl
- â
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 âWord Prevalence Valuesâ op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 5
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Bouwkunde in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %