Naar inhoud springen

brilaap

Uit WikiWoordenboek
  • bril·aap
enkelvoud meervoud
naamwoord brilaap brilapen
verkleinwoord

de brilaap m

  1. (scheldwoord) iemand die een bril draagt
    ▾ ‘Je hebt wat gemist man,’ zei Henkie, ‘die Towers was te gek.’ (
) ‘Ik heb de Maastrichter Staar,’ zei Pjotr, ‘en nee: dat is geen ziekte maar mooie mensenmuziek, heel wat beter dan die brilaap met z'n proleterige nepzang. Gala of the Year, 't mocht wat, waar blijft de kerstgedachte op deze wijze?[2]
  1. ↑ brilaap op website: Etymologiebank.nl
  2. ↑
    Aat Ceelen
    Pjotrs Kerst in: Hollands Maandblad., jrg. 1999 (614-625). (1999), Stichting Hollands Maandblad / Uitgeverij Veen, Amsterdam, p. 6