brilaap
Uiterlijk
- bril·aap
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | brilaap | brilapen |
| verkleinwoord |
deâbrilaapâm
- (scheldwoord) iemand die een bril draagt
- âžÂ âJe hebt wat gemist man,â zei Henkie, âdie Towers was te gek.â (âŠ) âIk heb de Maastrichter Staar,â zei Pjotr, âen nee: dat is geen ziekte maar mooie mensenmuziek, heel wat beter dan die brilaap met z'n proleterige nepzang. Gala of the Year, 't mocht wat, waar blijft de kerstgedachte op deze wijze?[2]
- "⊠die brilaap met z'n proleterige nepzang."
- Het woord 'brilaap' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.
- â brilaap op website: Etymologiebank.nl
- â Aat CeelenPjotrs Kerst in: Hollands Maandblad., jrg. 1999 (614-625). (1999), Stichting Hollands Maandblad / Uitgeverij Veen, Amsterdam, p. 6
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 7
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Scheldwoord in het Nederlands
- Niet in Woordenlijst Nederlandse Taal