Naar inhoud springen

donker

Uit WikiWoordenboek
  • don·ker
enkelvoud meervoud
naamwoord donker (donkers)
verkleinwoord donkertje donkertjes

donker m / o

  1. toestand dat er geen licht is, duisternis
  2. zeer sombere situatie
    ▾ Ik wil het donker niet meer in, mijn lief.[6]
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen donkerdonkerderdonkerst
verbogen donkeredonkerderedonkerste
partitief donkersdonkerders-

donker

  1. zonder licht
    • Door de stroomuitval zitten we nu al anderhalve dag in een donker huis. 
  2. weinig licht terugkaatsend, niet licht van kleur
    ▾ Hij ging op het geluid af en zag, op een bergweitje tussen de rotsen, een kleine donkere jongen zijn geiten hoeden.[7]
  3. somber
vervoeging van
donkeren

donker

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van donkeren
    • Ik donker. 
  2. gebiedende wijs van donkeren
    • Donker! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van donkeren
    • Donker je? 
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[8]