Naar inhoud springen

jeho

Uit WikiWoordenboek

jeho

  1. zijn; eigendom van mannelijk 3e persoon enkelvoud
  2. zijn; eigendom van onzijdig 3e persoon enkelvoud

jeho

  1. (van) hem, zijn; genitief enkelvoud van wón
  2. hem; bezield accusatief enkelvoud van wón

jeho

  1. (van) hem, zijn; genitief enkelvoud van wono


  • je·ho

jeho

  1. zijn; eigendom van mannelijk 3e persoon enkelvoud
  2. zijn; eigendom van onzijdig 3e persoon enkelvoud

jeho

  1. (van) hem, zijn; lange vorm genitief enkelvoud van on
  2. hem; lange vorm accusatief enkelvoud van on

jeho

  1. (van) hem, zijn; lange vorm genitief enkelvoud van ono


  • je·ho

jeho

  1. zijn; eigendom van mannelijk 3e persoon enkelvoud
    «To je jeho dům.»
    Dat is zijn huis.
  2. zijn; eigendom van onzijdig 3e persoon enkelvoud
    «V dálce je velké město a na jeho okraji stojí malá chajda.»
    In de verte ligt een grote stad en aan haar rand staat een kleine schuur.
  • Onverbogen

jeho

  1. (van) hem, zijn; lange vorm genitief enkelvoud van on
  2. hem; lange vorm accusatief enkelvoud van on
    «„Proč policie obvinila zrovna jeho a ne třeba manželku, která by mohla být stejně podezřelá?“»
    „Waarom heeft de politie nou juist hem beschuldigd en niet zijn vrouw, die net zo verdracht kan zijn?“
  1. –
  2. jej

jeho

  1. (van) hem, zijn; lange vorm genitief enkelvoud van ono