Naar inhoud springen

kampweek

Uit WikiWoordenboek
  • kamp·week
enkelvoud meervoud
naamwoord kampweek kampweken
verkleinwoord kampweekje kampweekjes

de kampweek v / m

  1. een vakantieweek op een vaste plaats voor een groep
    • De opening van de nieuwe editie van de ViVa geschiedt op maandag 6 juli bij speeltuin 't Hond. Twee deelnemende speeltuinen bieden een kamp aan. Speeltuin Het Lindenhof gaat van 6 tot en met 10 juli naar het kampeerhuis De Meene in Buurse. Ook speeltuin Robinia heeft voor een kampweek gekozen. "Dat is een bewuste keuze. Het gaat om speeltuinen in achterstandswijken. Daar wonen veel kinderen die nooit op vakantie gaan." [1] 
    • De jaarlijkse kampweek wordt voor de dertiende keer gehouden, voor de vierde maal is het gezelschap zaterdag in Eibergen neergestreken. Ze verblijven er een week. „Je vindt hier echt nog de Achterhoekse vriendelijkheid. Er zijn voldoende faciliteiten aanwezig en het veld zelf is prachtig”, vertelt de Maarsenaar Beks. [2] 
96 %van de Nederlanders;
94 %van de Vlamingen.[3]