Naar inhoud springen

rouw

Uit WikiWoordenboek
  • rouw
  • In de betekenis van ‘smart’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220 [1] [2][3]
enkelvoud meervoud
naamwoord rouw -
verkleinwoord - -

de rouw m

  1. grote smart of droefenis na een verlies [2]
  2. tijd van rouw
    ▸ Mijn rouw om Emil duurt vooral zo lang omdat ik zijn daad nog steeds niet kan begrijpen.[4]
    ▸ Na bijna een jaar van rouw wilde ik mezelf uit dat donkere gat trekken.[4]
    ▸ De afwezigheid van haar zoons bracht een nieuwe periode van rouw met zich mee.[5]
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen rouwrouwerrouwst
verbogen rouwerouwererouwste
partitief rouwsrouwers-

rouw [8]

  1. ruw
vervoeging van
rouwen

rouw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rouwen
    • Ik rouw. 
  2. gebiedende wijs van rouwen
    • Rouw! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rouwen
    • Rouw je? 
98 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[9]