Naar inhoud springen

ruiker

Uit WikiWoordenboek
  • rui¡ker
enkelvoud meervoud
naamwoord ruiker ruikers
verkleinwoord ruikertje ruikertjes

de ruiker m

  1. een boeket
    • Hij nam een paar ruikers mee voor de hele familie. 
  2. iemand die ruikt of goed ruiken kan
95 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[3]