Naar inhoud springen

zone

Uit WikiWoordenboek
Zone voor taxi's
  • zo·ne
enkelvoud meervoud
naamwoord zone zones
zonen
verkleinwoord zonetje zonetjes

dezonev/m

  1. bepaald gebied dat is afgebakend van aangrenzend gebied
    • De zone achter de auto was afgezet. 
     De Amsterdamse astronoom Gijs Mulders, sinds kort verbonden aan de Universiteit van Arizona, presenteerde op het Kepler-congres computersimulaties waaruit blijkt dat planeten in de bewoonbare zone van hun moederster niet altijd even 'nat' zijn.[4]
     Hun brein bevindt zich in een bizarre dagloze zone en surft over de voortsuizende horizon van de aarde.[5]
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[6]

zone

  1. zone
enkelvoud meervoud
zone zones

zone

  1. zone
  2. gebied
  • van Latijn zona [1]
  • [2] verwijzing naar de "zone non aedificandi", het ringvormige gebied rondom Parijs waar in de 19e eeuw een bouwverbod gold om het schootsveld van de vestingwerken open te houden[2]
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  zone     la zone     zones     les zones  

zone v

  1. zone
  2. (spreektaal) buitenwijk van een grote stad met meestal miserabele woonomstandigheden
    «C'est la zone, ton quartier.»
    Wat is die wijk van jou toch triest. [3]

zone

  1. (spreektaal) miserabel, ellendig
    «J’ai troqué mon cuir un peu zone contre une paire de docksides.»
    Ik heb mijn nogal armzalig jack geruild tegen een paar bootschoenen. [3]
vervoeging van
zoner

zone

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van zoner
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van zoner
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van zoner