Naar inhoud springen

loon

Uit WikiWoordenboek
  • loon
  • In de betekenis van ‘vergoeding’ voor het eerst aangetroffen in 1080 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord loon lonen
verkleinwoord loontje loontjes

het loon o

  1. (economie) financiële vergoeding voor geleverde arbeid
    ▸ Maar ook in dit geval bleven elitewaarden dominant, en geldprijzen werden niet gezien als loon maar als eervolle geschenken.[3]
    ▸ Ik dacht, nou, ik werk liever zonder loon voor hem dan dat ik op Briar blijf.[4]
    ▸ 'Ik heb Otto gewoon zijn loon vooruitbetaald,' zegt hij effen.[5]
  2. (figuurlijk) beloning
  3. (figuurlijk) straf
    ▸ Dat zou Sams verdiende loon zijn.[6]
vervoeging van
lonen

loon

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lonen
    • Ik loon. 
  2. gebiedende wijs van lonen
    • Loon! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lonen
    • Loon je? 
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[9]