Naar inhoud springen

vak

Uit WikiWoordenboek
  • vak
  • In de betekenis van ‘begrensd deel’ voor het eerst aangetroffen in 1319 [1] [2][3]
enkelvoud meervoud
naamwoord vak vakken
verkleinwoord vakje vakjes

het vak o

  1. (economie) beroep [1]
    • Een vak uitoefenen. 
    ▸ Het is maar goed dat ik het in mijn vak niet van de sympathie van anderen hoef te hebben.[4]
  2. ingedeeld stuk, bijv. schap, baanvak, supportersvak
    ▸ Ze gaan: de rookmelders vervangen, de waterzuiveringstank van vak 2 vervangen en een nieuwe tank installeren in vak 3 van het wateropslagsysteem, de badkamer en keuken schoonmaken, het toilet-dat- steeds-stukgaat repareren.[5]
    ▸ "Het dier was gelukkig ongedeerd, maar wel heel blij toen hij uit het vak gered werd", meldt de politie.[6]
  3. (onderwijs), (wetenschap) specifieke tak binnen de wetenschap, discipline [2]
    ▸ Het komt vaak voor dat docenten gevraagd wordt om een vak te geven waar ze niet bevoegd voor zijn.[7]
  • Een oude rot in het vak (zijn)
alles van het vak afweten en alles weten hoe te doen
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[8]
  1. ↑ "vak" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. ↑ vak op website: Etymologiebank.nl
  3. ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. ↑
    Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  5. ↑
    Samantha Harvey
    “In Orbit” (2024), De Bezige Bij op Wikipedia, ISBN 9789403135625
  6. ↑ Bronlink geraadpleegd op 7-7-2025 Weblink bron “Politie redt hond uit garderobelocker slot Neuschwanstein.” (7-7-2025), NOS
  7. ↑ Bronlink geraadpleegd op 12 oktober 2018 Weblink bron “Onbevoegden zijn gefrustreerd over hun opleiding” (7 februari 2015), het Onderwijsblad
  8. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
enkelvoud meervoud
naamwoord vak vakke

vak

  1. vak; schoolvak, leervak
    «My gunsteling vak is Afrikaans.»
    Mijn lievelingsvak is Afrikaans.
  2. vak; ingedeeld stuk, bijv. schap, baanvak, supportersvak
    «Die dokumente op sy lessenaar is netjies in vakkies geliasseer.»
    De documenten op zijn lessenaar zijn netjes in vakjes gearchiveerd.
  3. vak; beroep
    «Die verwer ken sy vak.»
    De schilder kent zijn vak.
  • vak
  • Afgeleid van het Middelhoogduitse wâtsack

vak monbezield

  1. zak, buidel; slappe, vormeloze container
  2. (zoötomie) buidel; huidplooi bij buideldieren waarin de jongen zich ophouden
  1. pytel monbezield
  2. –

vak

  1. weg